Lijfrente.nl ☰ Menu


Het onderdeel "Pensioensparen" bevat de volgende onderwerpen:




Pensioensparen

Pensioensparen is bedoeld voor personen met een aantoonbaar pensioentekort zoals zelfstandig ondernemers of werknemers die via hun werkgever niet of onvoldoende pensioen opbouwen. Bij pensioensparen zijn de stortingen als lijfrentepremie fiscaal aftrekbaar. Over de toekomstige uitkeringen moet alsnog inkomstenbelasting worden betaald waarbij sprake kan zijn van een belastingvoordeel als het belastingtarief over de uitkeringen lager is dan het belastingtarief waarover premieaftrek is genoten. Bovendien is het saldo volledig vrijgesteld van belastingheffing in box 3 van de inkomstenbelasting. Pensioensparen wordt aangeboden door banken, beleggingsinstellingen en levensverzekeringmaatschappijen. Na het overlijden van een rekeninghouder wordt het aanwezige saldo door banken en beleggingsinstellingen aan de erfgenamen uitgekeerd, terwijl levensverzekeringmaatschappijen alleen bij een overlijdensdekking uitkeren. Bij pensioensparen kan men kiezen voor variabele rente, vaste rente of beleggen.

Er is sprake van een belastingvoordeel zolang de lijfrentepremie fiscaal aftrekbaar is tegen een hoger belastingtarief dan het belastingtarief over de toekomstige uitkeringen. Naast inkomstenbelasting wordt er ook nog inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet ingehouden op de uitkeringen en deze bedraagt 5,4% met een maximum heffingsgrondslag van € 53.701,= bruto. Pensioensparen met een lijfrente bij een bank, beleggingsinstelling of levensverzekeringmaatschappij is niet altijd de beste keuze zoals blijkt uit de volgende voorbeelden:

Voorbeeld 1:

Een lijfrentepremie is fiscaal aftrekbaar tegen 52% (4e belastingschijf in 2017) en het belastingtarief over de toekomstige uitkeringen bedraagt vanaf de AOW-leeftijd 22,9% op basis van de 2e belastingschijf in 2017. Het tariefsverschil bedraagt dan 29,1% (= 52% – 22,9%) maar door de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet wordt het belastingvoordeel verlaagd tot 23,7% (= 52% – 22,9% – 5,4%).

Voorbeeld 2:

Een lijfrentepremie is fiscaal aftrekbaar tegen 40,8% (2e belastingschijf in 2017) en het belastingtarief over de toekomstige uitkeringen bedraagt vanaf de AOW-leeftijd eveneens 40,8% op basis van de 3e belastingschijf in 2017. Het tariefsverschil bedraagt dan 0% (= 40,8% – 40,8%) maar door de heffing van de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet van 5,4% is er sprake van een belastingnadeel van 5,4%.

Voorbeeld 3:

Een lijfrentepremie is fiscaal aftrekbaar tegen 52% (4e belastingschijf in 2017) en het belastingtarief over de toekomstige uitkeringen bedraagt vanaf de AOW-leeftijd eveneens 52%. Het tariefsverschil bedraagt dan 0% (= 52% – 52%) maar in 2017 wordt er geen inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet van 5,4% ingehouden omdat het bruto inkomen uit de lijfrente de maximum heffingsgrondslag voor de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet van € 53.701,= bruto te boven gaat.


Met bovengenoemde voorbeelden wordt aangetoond dat pensioensparen niet altijd een belastingvoordeel oplevert en tegenover een eventueel belastingvoordeel staan diverse nadelen zoals een niet vrij opneembaar saldo. Het saldo mag uitsluitend uitkeren in de vorm van een fiscaal toegestane lijfrente en is niet vrij opneembaar zonder fiscale boete (afkoop). In beginsel is afkoop bij pensioensparen niet toegestaan en overtreding van het verbod resulteert in een progressieve belastingheffing van maximaal 52% plus maximaal 20% revisierente (fiscale boete). Afkopen zonder revisierente is wel toegestaan bij pensioensparen als sprake is van een kleine lijfrente of langdurige arbeidsongeschiktheid. De fiscale voorwaarde dat pensioensparen moet uitkeren in de vorm van een toegestane lijfrente gaat ten koste van de flexibiliteit. Bovengenoemde nadelen kunnen een reden zijn om niet voor bruto pensioensparen te kiezen, maar voor het opbouwen van een aanvullend pensioen met netto vermogen. De fiscale voor- en nadelen van pensioensparen zijn als volgt:


Fiscale voordelen pensioensparen:

Stortingen zijn als lijfrentepremie fiscaal aftrekbaar;
Saldo is vrijgesteld van belastingheffing in box 3 van de inkomstenbelasting;
Belastingvoordeel mits sprake van tariefsvoordeel bij toekomstige uitkeringen.

Fiscale nadelen pensioensparen:

Lijfrentepremies zijn slechts tot een maximum bedrag fiscaal aftrekbaar;
Uitkeren moeten in de vorm van een fiscaal toegestane lijfrente;
Saldo is niet vrij opneembaar zonder fiscale boete (revisierente);
Inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet over toekomstige uitkeringen.


De fiscale nadelen kunnen een reden zijn om niet voor pensioensparen te kiezen, maar voor het opbouwen van een aanvullend pensioen met netto vermogen via sparen of beleggen. Het belangrijkste voordeel van sparen of beleggen met netto vermogen is de flexibiliteit. De inleg van netto vermogen is niet aan een maximum bedrag gebonden en het saldo is altijd vrij opneembaar zonder fiscale boete (revisierente). Een mogelijk nadeel van sparen of beleggen met netto vermogen is de belastingheffing in box 3 van de inkomstenbelasting over het saldo boven de fiscale vrijstelling in box 3.


Lijfrentepremie

Het maximum bedrag van de fiscaal aftrekbare lijfrentepremie is afhankelijk van de:


Jaarruimte

De jaarruimte geldt voor ondernemers en werknemers die bij aanvang van het kalenderjaar de AOW-leeftijd nog niet hebben bereikt en waarbij sprake is van een aantoonbaar pensioentekort in het voorafgaande kalenderjaar. De jaarruimte is het maximum bedrag dat fiscaal aftrekbaar is als premie voor een lijfrente en wordt berekend op basis van de premiegrondslag en pensioenaangroei in het voorafgaande kalenderjaar. De premiegrondslag is het totaal van een aantal specifieke inkomensbestanddelen tot een maximum van € 103.317,= bruto minus een franchisebedrag van € 12.032,= bruto. Als het relevante inkomen in 2017 meer bedraagt dan € 103.317,= bruto wordt het meerdere buiten beschouwing gelaten bij de berekening van de jaarruimte, maar het meerdere kan wel onderdeel uitmaken van de premiegrondslag voor een netto lijfrente. De jaarruimte bedraagt in 2017 maximaal € 12.598,= en de lijfrentepremies zijn alleen fiscaal aftrekbaar als deze in het betreffende kalenderjaar zijn betaald.


Reserveringsruimte

De reserveringsruimte heeft betrekking op de zeven voorafgaande kalenderjaren van het kalenderjaar van de jaarruimte. Indien de jaarruimte betrekking heeft op kalenderjaar 2017 dan heeft de reserveringsruimte betrekking op de zeven voorafgaande kalenderjaren 2016, 2015, 2014, 2013, 2012, 2011 en 2010. De reserveringsruimte heeft betrekking op de nog niet gebruikte jaarruimte in deze zeven voorafgaande kalenderjaren. Het berekenen van de reserveringsruimte begint bij de nog niet gebruikte jaarruimte van het oudste kalenderjaar. Bij de aangifte inkomstenbelasting moet een verzoek worden ingediend om de reserveringsruimte deels of volledig te kunnen benutten. Binnen de reserveringsruimte zijn alleen de lijfrentepremies fiscaal aftrekbaar die in het betreffende kalenderjaar zijn betaald en de reserveringsruimte bedraagt in 2017 maximaal € 7.110,=. Het maximum bedrag van € 7.110,= wordt in 2017 verhoogd tot maximaal € 14.039,= als de belastingplichtige bij aanvang van het kalenderjaar een minimum leeftijd heeft bereikt van 55 jaar en 9 maanden.


Jaarruimte en reserveringsruimte berekenen

De website van de belastingdienst beschikt over een calculator voor het berekenen van de jaarruimte en reserveringsruimte. Met behulp van deze calculator is het mogelijk om zelf uw jaarruimte en reserveringsruimte te berekenen, mits u beschikt over voldoende fiscale kennis en over alle benodigde informatie. Met het zelf berekenen loopt u het risico dat u niet optimaal gebruik maakt van alle fiscale mogelijkheden en onnodig belastingvoordelen over meerdere jaren misloopt of onnodig te veel belasting betaalt over toekomstige uitkeringen.


Fiscale oudedagsreserve

Een ondernemer heeft de mogelijkheid om een (fiscale) oudedagsreserve op te bouwen door jaarlijks een deel van zijn winst te reserveren voor een oudedagsreserve. Het opbouwen van een oudedagsreserve geldt alleen voor ondernemers die aan het urencriterium voldoen en die aan het begin van het kalenderjaar de AOW-leeftijd nog niet hebben bereikt. Het bedrag dat jaarlijks aan de oudedagsreserve mag worden toegevoegd is afhankelijk van de hoogte van de winst uit onderneming. Een toevoeging aan de oudedagsreserve vermindert de belastbare winst en een ondernemer kan in 2017 maximaal 9,8% van zijn winst uit onderneming toevoegen aan zijn oudedagsreserve met een maximum van € 8.946,=. Een toevoeging aan de oudedagsreserve wordt verminderd met eventuele premies van een (beroeps)pensioenregeling die ten laste van de winst komen. Het is niet mogelijk om een bedrag aan de oudedagsreserve toe te voegen in een jaar van verlies. Bovendien mag de oudedagsreserve na een toevoeging niet hoger zijn dan het ondernemingsvermogen (bezittingen minus schulden).

Een ondernemer en zijn fiscale partner kunnen ieder afzonderlijk een oudedagsreserve opbouwen, mits beide partners aan het urencriterium voldoen. Op de balans van de jaarrekening moet de stand van de oudedagsreserve worden vermeld. Een ondernemer met meerdere ondernemingen kan de oudedagsreserve verdelen over de balansen van al zijn ondernemingen.

De oudedagsreserve wordt opgeheven bij het staken van de onderneming en wordt alsnog bij de winst opgeteld. Het is mogelijk om de oudedagsreserve (zowel tussentijds als bij het staken van de onderneming) onbelast onder te brengen in een lijfrente. Een lijfrente met een oudedagsreserve wordt fiscaal aangemerkt als een nieuw regime lijfrente. De afname van de oudedagsreserve wordt bij de winst opgeteld en resulteert in een fiscale bijtelling, maar de fiscale aftrek van de lijfrente is gelijk aan de fiscale bijtelling waardoor de oudedagsreserve per saldo onbelast afneemt. Daarnaast is op grond van de MKB-winstvrijstelling 14% van de afname vrijgesteld van belastingheffing. Op de toekomstige uitkeringen van de lijfrente wordt alsnog belasting ingehouden volgens de normale belastingtarieven in box 1 van de inkomstenbelasting en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet.


Stakingswinst

Een ondernemer die zijn onderneming (deels of volledig) staakt is inkomstenbelasting verschuldigd over zijn stakingswinst. Stakingswinst is het verschil tussen de boekwaarde van de onderneming en de werkelijke waarde van de onderneming op het moment van overdracht of bedrijfsbeëindiging. De stakingswinst is het totaalbedrag van stille reserves, fiscale reserves en goodwill van een onderneming. De stakingswinst maakt deel uit van het inkomen van de stakende ondernemer in het jaar van (fiscale) staking. Een ondernemer is in het jaar van staking inkomstenbelasting verschuldigd over de stakingswinst tenzij de belastingheffing wordt uitgesteld. Het berekenen van de stakingswinst is vrij ingewikkeld en wordt meestal door een accountant of belastingadviseur uitgevoerd.

Een deel van de stakingswinst is op het moment van staking vrijgesteld van belastingheffing en in 2017 bedraagt deze eenmalige stakingsaftrek maximaal € 3.630,= per ondernemer. Daarnaast is op grond van de MKB-winstvrijstelling 14% van de stakingswinst (na ondernemersaftrek) vrijgesteld van belastingheffing. Een ondernemer kan de belastingheffing over zijn stakingswinst uitstellen door deze onbelast onder te brengen in een lijfrente. Op de toekomstige uitkeringen van de lijfrente wordt alsnog belasting ingehouden volgens de normale belastingtarieven in box 1 van de inkomstenbelasting en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet.

Een lijfrente met een stakingswinst wordt fiscaal aangemerkt als een nieuw regime lijfrente. De aftrekbare lijfrentepremie bij een stakingswinst is maximaal gelijk aan de stakingswinst, maar bedraagt nooit meer dan het wettelijk maximum bedrag verminderd met het bedrag aan reeds opgebouwde voorzieningen. De wettelijke maximum bedragen voor een aftrekbare lijfrentepremie zijn afhankelijk van de persoonlijke omstandigheden bij het staken van de onderneming zoals weergegeven in onderstaand overzicht:


In 2017 bedraagt het maximum € 450.631,= als aan minimaal één van de drie volgende voorwaarden wordt voldaan:

De ondernemer heeft op het moment van staken een leeftijd bereikt die maximaal vijf jaar lager is dan de AOW-leeftijd (65 jaar en 9 maanden in 2017);

De ondernemer is op het moment van staken ten minste voor 45% arbeidsongeschikt en de termijnen van de lijfrente moeten binnen zes maanden na het staken ingaan;

De onderneming wordt gestaakt door het overlijden van de ondernemer.


In 2017 bedraagt het maximum € 225.323,= als aan minimaal één van de twee volgende voorwaarden wordt voldaan:

De ondernemer heeft op het moment van staken een leeftijd bereikt die maximaal vijftien jaar lager is dan de AOW-leeftijd (65 jaar en 9 maanden in 2017):

De termijnen van de lijfrente moeten direct ingaan.


In 2017 bedraagt het maximum € 112.667,= voor alle overige gevallen.


Bovengenoemde maximum bedragen worden verminderd met het totaalbedrag aan reeds opgebouwde voorzieningen op grond van:

Aanspraken van een pensioenregeling;
Een bedrijfsbeëindigingsvergoeding in de vorm van belastbare periodieke uitkeringen;
Een uitkering via de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ);
Het bedrag van de oudedagsreserve bij aanvang van het kalenderjaar;
De bedragen die in voorafgaande kalenderjaren als jaarruimte of reserveringsruimte zijn aangemerkt;
De bedragen van een oudedagsreserve die in voorafgaande kalenderjaren in een lijfrente zijn omgezet;
De bedragen van een stakingswinst die in voorafgaande kalenderjaren in een lijfrente zijn omgezet.


Bij het omzetten van een oudedagsreserve of stakingswinst in een lijfrente binnen zes maanden na afloop van een kalenderjaar is het toegestaan dat de fiscaal aftrekbare premies die door de belastingplichtige zijn betaald of verrekend, alsnog worden aangemerkt als premies voor een lijfrente die zijn betaald of verrekend in het voorafgaande kalenderjaar. Oftewel, premies die vóór 1 juli 2018 zijn betaald of verrekend zijn nog in 2017 fiscaal aftrekbaar.

In bepaalde gevallen hoeft er niet of niet geheel fiscaal te worden afgerekend over de stakingswinst. Dat is het geval als gebruik wordt gemaakt van een doorschuiffaciliteit zoals in de volgende situaties:

Bij voortzetting onderneming door partner/echtgenoot na overlijden of echtscheiding;
Bij overdracht van de onderneming aan een medeondernemer of werknemer;
Bij overdracht van de onderneming aan een besloten vennootschap;
Bij overlijden van de ondernemer.


Netto lijfrente

In 2015 is een maximum pensioengevend loon ingevoerd van € 100.000,= bruto per jaar voor werknemers die via hun werkgever pensioen opbouwen. Het maximum pensioengevend loon wordt jaarlijks geïndexeerd en in 2017 is het bedrag verhoogd naar € 103.317,= bruto per jaar. Over het bruto loon dat meer bedraagt dan het maximum pensioengevend loon wordt geen bruto pensioen opgebouwd. Het is wel mogelijk om een netto pensioen op te bouwen over het bruto loon dat meer bedraagt dan het maximum pensioengevend loon. De premie wordt dan betaald via het netto loon en niet (onbelast) via het bruto loon, maar de uitkeringen zijn volledig vrijgesteld van inkomstenbelasting in box 1 en de opgebouwde waarde is volledig vrijgesteld van inkomstenbelasting in box 3. Een netto pensioen is een collectieve werkgeversregeling maar een werknemer kan ook kiezen voor een individuele regeling in de vorm van een netto lijfrente. Een netto pensioen mag alleen uitkeren in de vorm van een levenslang pensioen, maar een netto lijfrente mag ook uitkeren in de vorm van een tijdelijke lijfrente.

Een netto lijfrente is een individuele regeling voor werknemers en ondernemers met een inkomen dat meer bedraagt dan het maximum bruto inkomen voor de jaarruimte of reserveringsruimte. Het meerdere wordt buiten beschouwing gelaten bij de berekening van de jaarruimte als het inkomen in 2017 meer bedraagt dan € 103.317,= bruto per jaar, maar het meerdere kan wel onderdeel zijn van de premiegrondslag voor een netto lijfrente. De premies voor een netto lijfrente zijn niet fiscaal aftrekbaar, maar de uitkeringen zijn volledig vrijgesteld van inkomstenbelasting in box 1 en de opgebouwde waarde is volledig vrijgesteld van inkomstenbelasting in box 3. Een netto lijfrente moet in beginsel uitkeren in de vorm van een oudedagslijfrente, een tijdelijke oudedagslijfrente of een nabestaandenlijfrente. De fiscale spelregels voor een netto lijfrente worden uit het oogpunt van overzichtelijkheid niet nader toegelicht.


Overlijden

Pensioensparen is sparen voor een oudedagslijfrente en bij voortijdig overlijden tijdens de opbouwfase wordt het beschikbare saldo middels een nabestaandenlijfrente aan de erfgenamen uitbetaald. Het beschikbare saldo is meestal niet toereikend voor voldoende inkomensaanvulling in de vorm van een nabestaandenlijfrente.

Voorbeeld:

Op het moment van overlijden bedraagt het saldo € 50.000,= bruto en de nabestaande heeft een inkomensaanvulling nodig van € 30.000,= bruto per jaar. Het beschikbare saldo mag alleen uitkeren in de vorm van een nabestaandenlijfrente en voor een partner of gewezen partner moet dat in de vorm van een levenslange lijfrente of een tijdelijke lijfrente met een looptijd van minimaal 5 jaar. Als de nabestaande gedurende een periode van 20 jaar (bijvoorbeeld tot de AOW-leeftijd) een extra inkomensaanvulling nodig heeft van € 30.000,= bruto per jaar, bedraagt het totaal aan uitkeringen € 600.000,= bruto (namelijk 20 x € 30.000,= bruto) terwijl het saldo slechts € 50.000,= bruto bedraagt. De financiële risico’s van overlijden kunnen via een aparte overlijdensrisicoverzekering worden verzekerd.


Arbeidsongeschiktheid

Het saldo bij pensioensparen is meestal onvoldoende om te kunnen voorzien in een langdurige inkomensaanvulling bij arbeidsongeschiktheid.

Voorbeeld:

Op het moment van arbeidsongeschiktheid bedraagt het saldo € 50.000,= bruto en de arbeidsongeschikte heeft € 30.000,= bruto per jaar nodig voor levensonderhoud. Als de arbeidsongeschikte gedurende een periode van 20 jaar (bijvoorbeeld tot de AOW-leeftijd) € 30.000,= bruto per jaar nodig heeft, bedraagt het totaal aan uitkeringen € 600.000,= bruto (namelijk 20 x € 30.000,= bruto) terwijl het saldo slechts € 50.000,= bruto bedraagt. Kortom, bij langdurige arbeidsongeschiktheid is afkoop van het saldo geen passend alternatief voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering. De financiële risico’s van arbeidsongeschiktheid kunnen via een aparte arbeidsongeschiktheidsverzekering worden verzekerd.