Lijfrente.nl ☰ Menu


Het onderdeel "Lijfrente" bevat de volgende onderwerpen:



Lijfrente uitkeren

Een lijfrente wordt meestal gebruikt als tijdelijke of levenslange oudedagsvoorziening ter compensatie van een pensioentekort. De opbouwfase is de periode waarin een kapitaal wordt opgebouwd met fiscaal aftrekbare lijfrentepremies en de uitkeringsfase is de periode waarin de lijfrente gaat uitkeren in de vorm van een periodieke uitkering. De begunstigde is in beginsel verplicht om een direct ingaande lijfrente aan te kopen met het opgebouwde kapitaal. Een direct ingaande lijfrente is een periodieke uitkering die meestal per maand of per kwartaal een uitkering verstrekt aan de begunstigde van de lijfrente.

In het verleden was het alleen mogelijk om een lijfrente onder te brengen bij een levensverzekeringmaatschappij, maar inmiddels is het ook mogelijk om een lijfrente onder te brengen bij een bank, een beleggingsinstelling of een beleggingsonderneming. Een lijfrente bij een bank wordt meestal aangeduid als een bancaire lijfrente of als banksparen. Voor een lijfrente bij een beleggingsinstelling of beleggingsonderneming gelden dezelfde fiscale voorwaarden als voor banksparen. In de opbouwfase zijn er geen fiscale verschillen tussen premies voor een lijfrente en premies voor banksparen, maar in de uitkeringsfase zijn er wel verschillen tussen een lijfrente bij een levensverzekeringmaatschappij en banksparen.

Een verzekeringnemer met een partner kan desgewenst kiezen voor een periodieke uitkering op het leven van de verzekeringnemer en de partner. Men spreekt meestal van een direct ingaande lijfrente op één leven of op twee levens. Bij een direct ingaande lijfrente op één leven wordt de periodieke uitkering stopgezet na het overlijden van de verzekeringnemer en bij een direct ingaande lijfrente op twee levens wordt de periodieke uitkering na het overlijden van de verzekeringnemer (deels of volledig) voortgezet met de partner. Na het voortzetten van een tijdelijke lijfrente met de partner eindigen de periodieke uitkeringen op de overeengekomen einddatum of direct na het overlijden van de partner vóór de einddatum. Na het voortzetten van een levenslange lijfrente met de partner eindigen de periodieke uitkeringen direct na het overlijden van de partner. Een bancaire lijfrente (banksparen) is altijd op één leven gebaseerd en na het overlijden van de rekeninghouder moet het resterende saldo in de vorm van een fiscaal toegestane lijfrente aan de erfgenamen uitkeren.

Een fiscaal aftrekbare lijfrente levert vooralsnog alleen belastinguitstel op maar nog geen belastingbesparing. De uitkeringsfase is immers de periode waarin alsnog belasting moet worden betaald over de bruto uitkeringen uit uw lijfrente en dus ook het moment om belasting te besparen. Het is wellicht mogelijk om extra belasting te besparen over uitkeringen uit uw lijfrente. Deze extra belastingbesparing staat los van het gebruikelijke belastingvoordeel (tariefsvoordeel in box 1 en vrijstelling in box 3) bij een lijfrente. Zie voor meer informatie het onderdeel lijfrente en belasting.


Nieuw regime lijfrente

Een "nieuw regime" lijfrente is een op of na 16 oktober 1990 afgesloten lijfrente die via periodieke premiebetalingen is opgebouwd of een na 1 januari 1992 afgesloten lijfrente die door een eenmalige koopsombetaling is opgebouwd en waarbij de betaalde premies of koopsommen fiscaal aftrekbaar zijn voor de inkomstenbelasting.

Een "nieuw regime" lijfrente dient tijdens de opbouwfase en de uitkeringsfase te voldoen aan alle fiscale vereisten. Een lijfrente mag niet worden afgekocht, beleend, vervreemd of tot voorwerp van zekerheid dienen. Als een nieuw regime lijfrente niet (meer) voldoet aan alle fiscale vereisten kan dit leiden tot een progressieve belastingheffing van maximaal 52% plus maximaal 20% revisierente waardoor de belastingheffing kan oplopen tot 72%. Revisierente is echter niet van toepassing op een oud regime lijfrente.

Premies voor een lijfrente die dienen ter compensatie van een pensioentekort zijn fiscaal aftrekbaar als aan alle fiscale vereisten wordt voldaan. Daar staat tegenover dat de periodieke uitkeringen te zijner tijd worden belast en dan kan er een belastingvoordeel ontstaan als het verschuldigde belastingtarief over de uitkeringen lager is dan het belastingtarief waarover premieaftrek is genoten. Bovendien is de opgebouwde waarde bij een lijfrente volledig vrijgesteld van belastingheffing in box 3 van de inkomstenbelasting waardoor een dubbel belastingvoordeel kan ontstaan.

Als een nieuw regime lijfrente tot uitkering komt zijn er twee mogelijkheden:

(1) Lijfrente uitstellen;
(2) Lijfrente uitkeren.


Lijfrente uitstellen

Het is mogelijk om de einddatum van een lijfrente zonder fiscale consequenties door te schuiven naar de toekomst waardoor de periodieke uitkeringen worden uitgesteld. De einddatum van de lijfrente mag dan uiterlijk tot de (fiscaal toegestane) uiterste ingangsdatum worden uitgesteld en dit verschilt per lijfrentevorm. Het uitstellen kan plaatsvinden bij de financiële aanbieder waar het lijfrentekapitaal tot uitkering komt, maar het kan wellicht aantrekkelijker zijn om het lijfrentekapitaal over te dragen naar een andere financiële aanbieder als deze een hogere rente aanbiedt. Bij een overdracht van het lijfrentekapitaal moet de oude financiële aanbieder het bruto bedrag rechtstreeks uitkeren aan de nieuwe financiële aanbieder.


Fiscaal toegestane lijfrente

Een nieuw regime lijfrente moet om fiscale redenen uitkeren in de vorm van een direct ingaande lijfrente. De periodieke uitkeringen vormen belastbaar inkomen en het uiteindelijke belastingtarief wordt bepaald door de hoogte van het belastbaar inkomen uit werk en woning in het fiscale jaar van uitkering. Een nieuw regime lijfrente dat dient ter compensatie van een pensioentekort moet in de uitkeringsfase uitkeren in een van de volgende fiscaal toegestane lijfrentevormen:


Oudedagslijfrente

Een oudedagslijfrente is een levenslange lijfrente waarbij de periodieke uitkeringen uitsluitend mogen eindigen na het overlijden van de verzekeringnemer. De periodieke uitkeringen mogen op elk willekeurig moment ingaan maar niet later dan in het jaar waarin de verzekeringnemer de leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de AOW-leeftijd. De periodieke uitkeringen moeten toekomen aan de verzekeringnemer die de premies heeft betaald en die de premies als "uitgaven voor inkomensvoorzieningen" van zijn belastbaar inkomen heeft afgetrokken. Een levenslange oudedagslijfrente kent in tegenstelling tot een tijdelijke oudedagslijfrente geen maximum uitkering per kalenderjaar. De periodieke uitkeringen van een reeds ingegane oudedagslijfrente mogen na het overlijden van de verzekeringnemer levenslang blijven uitkeren aan een begunstigde, mits deze periodieke uitkeringen bij aanvang (deels of volledig) zijn meeverzekerd.

Bij een oudedagslijfrente met banksparen is een levenslange uitkering niet toegestaan. De periodieke uitkeringen van een oudedagslijfrente met banksparen mogen op elk willekeurig moment ingaan, maar niet later dan in het jaar waarin de rekeninghouder de leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de AOW-leeftijd. De looptijd van een oudedagslijfrente met banksparen bedraagt minimaal 20 jaar. De rekeninghouder mag ook kiezen voor een langere looptijd (bijvoorbeeld 25 jaar of 30 jaar). De minimale looptijd van 20 jaar dient te worden verlengd met het aantal jaren tussen het tijdstip van de eerste uitkeringstermijn en de AOW-leeftijd indien de eerste uitkeringstermijn vóór aanvang van de AOW-leeftijd tot uitkering komt.

Voorbeeld:

De eerste uitkeringstermijn komt 3 jaar vóór aanvang van de AOW-leeftijd tot uitkering. De looptijd voor deze oudedagslijfrente met banksparen bedraagt dan minimaal 23 jaar (namelijk 20 jaar + 3 jaar).

De periodieke uitkeringen van een reeds ingegane oudedagslijfrente met banksparen mogen na het overlijden van de rekeninghouder blijven uitkeren aan de erfgenamen tot de overeengekomen einddatum.


Tijdelijke oudedagslijfrente

De tijdelijke oudedagslijfrente wordt gebruikt als tijdelijke aanvulling op het pensioen. Een tijdelijke oudedagslijfrente mag niet eerder ingaan dan in het kalenderjaar waarin de verzekeringnemer de AOW-leeftijd bereikt en niet later dan in het kalenderjaar waarin de verzekeringnemer de leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de AOW-leeftijd. De periodieke uitkeringen moeten toekomen aan de verzekeringnemer die de premies heeft betaald en die deze premies als "uitgaven voor inkomensvoorzieningen" van zijn belastbaar inkomen heeft afgetrokken. De looptijd mag niet korter zijn dan 5 jaar en de periodieke uitkeringen mogen in 2017 niet meer bedragen dan € 21.312,= bruto per jaar.

Sinds 2014 geldt een overgangsregeling voor de tijdelijke oudedagslijfrente. Een tijdelijke oudedagslijfrente mag niet eerder ingaan dan in het kalenderjaar waarin de verzekeringnemer de leeftijd van 65 jaar bereikt, mits na 31 december 2013 geen premies meer zijn betaald. Indien na 31 december 2013 nog premies zijn betaald mag de reeds op 31 december 2013 aanwezige waarde nog worden gebruikt voor een tijdelijke oudedagslijfrente die niet eerder mag ingaan dan in het kalenderjaar waarin de verzekeringnemer de leeftijd van 65 jaar bereikt. De waarde die na 31 december 2013 wordt opgebouwd kan ook voor een tijdelijke oudedagslijfrente worden gebruikt, maar mag niet eerder ingaan dan in het kalenderjaar waarin de verzekeringnemer de AOW-leeftijd bereikt. Alle bovengenoemde fiscale voorwaarden gelden ook voor een tijdelijke oudedagslijfrente met banksparen.

De periodieke uitkeringen van een reeds ingegane tijdelijke oudedagslijfrente mogen na het overlijden van de verzekeringnemer tijdelijk blijven uitkeren aan een begunstigde, mits deze periodieke uitkeringen bij aanvang (deels of volledig) zijn meeverzekerd. De periodieke uitkeringen van een reeds ingegane tijdelijke oudedagslijfrente met banksparen mogen na het overlijden van de rekeninghouder blijven uitkeren aan de erfgenamen tot de overeengekomen einddatum.


Nabestaandenlijfrente

Na het overlijden van de verzekeringnemer c.q. rekeninghouder van een oudedagslijfrente of een tijdelijke oudedagslijfrente, mogen reeds ingegane periodieke uitkeringen blijven uitkeren aan de begunstigden c.q. erfgenamen tot de overeengekomen einddatum. Als een verzekeringnemer c.q. rekeninghouder van een lijfrente komt te overlijden op het moment dat de periodieke uitkeringen van zijn lijfrente nog niet zijn ingegaan (opbouwfase), dient het beschikbare lijfrentekapitaal door de begunstigden c.q. erfgenamen te worden gebruikt voor de aankoop van een fiscaal toegestane nabestaandenlijfrente. Een nabestaandenlijfrente moet in beginsel direct na het overlijden van de verzekeringnemer c.q. rekeninghouder gaan uitkeren aan de nabestaande(n) en het uitkeren mag alleen worden uitgesteld zolang de nabestaande recht heeft op een uitkering uit hoofde van de Algemene Nabestaandenwet (ANW).

De nabestaandenlijfrente wordt in de volgende drie categorieën onderverdeeld:

1) Partner of gewezen partner

De nabestaandenlijfrente moet uitkeren in de vorm van een levenslange lijfrente of in de vorm van een tijdelijke lijfrente die voldoet aan een sterftekans van minimaal 1%. Met een minimale sterftekans van 1% wordt bedoeld dat de statistische kans op het overlijden van een verzekerde gedurende de looptijd van een tijdelijke lijfrente minimaal 1% bedraagt.

Bij banksparen moet de nabestaandenlijfrente voor een partner of gewezen partner uitkeren in de vorm van een tijdelijke lijfrente met een looptijd van minimaal 5 jaar.

2) Bloed- of aanverwant in de rechte lijn of in de tweede of derde graad van de zijlijn die jonger is dan 30 jaar

De nabestaandenlijfrente moet uitkeren in de vorm van een levenslange lijfrente of in de vorm van een tijdelijke lijfrente die uiterlijk eindigt op het tijdstip waarop de begunstigde de leeftijd van 30 jaar bereikt. De tijdelijke nabestaandenlijfrente voor een begunstigde die jonger is dan 30 jaar hoeft niet te voldoen aan de fiscaal vereiste sterftekans van minimaal 1%.

Bij banksparen moet de nabestaandenlijfrente voor deze categorie nabestaanden uitkeren in de vorm van een tijdelijke lijfrente met een looptijd van minimaal 5 jaar maar nooit meer dan het aantal jaren dat deze bloed- of aanverwant jonger is dan 30 jaar op het moment van het uitkeren van de eerste termijn, of uitkeren in de vorm van een tijdelijke lijfrente met een looptijd van minimaal 20 jaar.

3) Bloed- of aanverwant in de rechte lijn of in de tweede of derde graad van de zijlijn die ouder is dan 30 jaar.

De nabestaandenlijfrente moet voor deze categorie nabestaanden uitkeren in de vorm van een levenslange lijfrente. Bij banksparen moet deze nabestaandenlijfrente uitkeren in de vorm van een tijdelijke lijfrente met een looptijd van minimaal 20 jaar.


Overbruggingslijfrente

De periodieke uitkeringen van een overbruggingslijfrente eindigen uiterlijk in het kalenderjaar waarin de verzekeringnemer de pensioenleeftijd bereikt. De verzekeringnemer is volledig vrij in de keuze van de ingangsdatum van de periodieke uitkeringen, maar de keuze van de einddatum van de periodieke uitkeringen wordt fiscaal beperkt tot een van de volgende drie mogelijkheden:

1) Het kalenderjaar waarin de verzekeringnemer de 65-jarige leeftijd bereikt;
2) Het kalenderjaar waarin de verzekeringnemer de AOW-leeftijd bereikt;
3) Het kalenderjaar waarin de verzekeringnemer de pensioenleeftijd bereikt.

Premies voor een overbruggingslijfrente zijn sinds 2006 niet langer fiscaal aftrekbaar. Een lijfrentekapitaal omzetten in een overbruggingslijfrente is alleen nog mogelijk voor zover na 2005 geen fiscaal aftrekbare premies meer zijn betaald tijdens de opbouwfase van de lijfrente. Premies die in 2006 zijn betaald en die voor de fiscale aftrekbaarheid zijn teruggewenteld naar 2005 worden fiscaal aangemerkt als premies in 2005 en mogen nog wel voor een overbruggingslijfrente worden aangewend. De volledige waarde van de lijfrente (inclusief de waardetoename na 31 december 2005) mag voor een overbruggingslijfrente worden aangewend, mits er geen premies meer zijn betaald die fiscaal worden aangemerkt als premies van na 2005. Als er nog premies zijn betaald die fiscaal worden aangemerkt als premies van na 2005, dan mag alleen de waarde van de lijfrente per 31 december 2005 worden aangewend voor een overbruggingslijfrente. De periodieke uitkeringen van een overbruggingslijfrente mogen niet meer bedragen dan € 63.288,00 bruto per jaar. Een lijfrente waarvoor in het verleden premieaftrek is genoten in verband met het onbelast omzetten van een oudedagsreserve of stakingswinst mag eveneens worden aangewend voor een overbruggingslijfrente, mits de premies fiscaal worden aangemerkt als premies van vóór 2006.

Een overbruggingslijfrente is alleen mogelijk bij een levensverzekeringsmaatschappij. Een overbruggingslijfrente met banksparen is fiscaal niet toegestaan, maar als een lijfrente mag worden aangewend voor een overbruggingslijfrente is het wel mogelijk om deze lijfrente tijdens de opbouwfase eerst om te zetten in banksparen. Het is vervolgens fiscaal toegestaan om het banksparen voor de uitkeringsfase alsnog om te zetten in een overbruggingslijfrente bij een levensverzekeringsmaatschappij.


Wettelijke termijn lijfrente

Naast een uiterste ingangsdatum waarop een direct ingaande lijfrente in beginsel moet gaan beginnen met uitkeren, bestaat er ook een wettelijke termijn waarbinnen een direct ingaande lijfrente daadwerkelijk moet gaan beginnen met uitkeren na het bereiken van de contractuele einddatum van een lijfrente in de opbouwfase. De wettelijke termijn is bedoeld als extra bedenktijd voor de aankoop van een direct ingaande lijfrente of uitgestelde lijfrente. De contractuele einddatum van een lijfrente in de opbouwfase mag de fiscaal toegestane uiterste ingangsdatum van de direct ingaande lijfrente niet overschrijden, maar op grond van de wettelijke termijn krijgt de verzekeringnemer extra tijd voor het aankopen van een direct ingaande lijfrente.

Bij leven wordt de wettelijke termijn van de uiterste ingangsdatum van een nieuwe lijfrente 31 december van het eerste kalenderjaar volgend op het kalenderjaar van de contractuele einddatum van de oude lijfrente. De uiterste ingangsdatum van een nieuwe lijfrente bij overlijden wordt door de wettelijke termijn 31 december van het tweede kalenderjaar volgend op het kalenderjaar van de contractuele einddatum van de oude lijfrente.

Als de wettelijke termijn wordt overschreden wordt de waarde van de lijfrente progressief belast tegen maximaal 52% inkomstenbelasting en maximaal 20% revisierente waardoor de totale belastingheffing kan oplopen tot 72%. Revisierente is echter niet van toepassing op een oud regime lijfrente. Het overschrijden van de wettelijke termijn wordt door de belastingdienst aangemerkt als het afkopen van de lijfrente op de uiterste ingangsdatum, tenzij de wettelijke termijn wegens bijzondere omstandigheden door de belastinginspecteur wordt verlengd. De wettelijke termijn geldt ook voor een verlenging van een lijfrente in de opbouwfase, mits verlenging fiscaal is toegestaan. Deze informatie over de wettelijke termijn geldt ook voor banksparen.

Voorbeeld:

Als de uiterste ingangsdatum van een oudedagslijfrente in het kalenderjaar ligt waarin de verzekeringnemer de leeftijd van 70 jaar bereikt, is het op grond van de wettelijke termijn toch toegestaan om de oudedagslijfrente pas te laten ingaan in het kalenderjaar waarin de verzekeringnemer de leeftijd van 71 jaar bereikt. Op grond van de wettelijke termijn wordt de uiterste ingangsdatum van een direct ingaande lijfrente 31 december van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar van de contractuele einddatum van een lijfrente in de opbouwfase. Voor een lijfrente in de opbouwfase met een contractuele einddatum per 1 maart 2017 duurt de wettelijke termijn tot en met 31 december 2018.