Lijfrente.nl ☰ Menu


Het onderdeel "Lijfrente en belasting" bevat de volgende onderwerpen:




Lijfrente en belasting

Over de toekomstige uitkeringen van een lijfrente is de ontvanger belasting verschuldigd. Levensverzekeringmaatschappijen, banken en beleggingsinstellingen zijn wettelijk verplicht om loonbelasting in te houden op alle verstrekte uitkeringen en deze als voorheffing af te dragen aan de belastingdienst. Ondanks het inhouden van loonbelasting op uw lijfrente is het toch mogelijk dat u als ontvanger van de uitkeringen een naheffing krijgt van de belastingdienst indien u in hetzelfde kalenderjaar nog andere belastbare inkomsten hebt ontvangen naast uw lijfrente. De hoogte van de verschuldigde belasting over de lijfrente wordt uiteindelijk bepaald door de hoogte van uw belastbaar inkomen uit werk en woning in het betreffende kalenderjaar. Er wordt belasting geheven volgens de normale belastingtarieven in box 1 van de inkomstenbelasting door cumulatie van alle belastbare inkomsten in een kalenderjaar. De ingehouden loonbelasting op uw lijfrente is slechts een voorheffing voor de inkomstenbelasting en de belastingdienst kan alsnog een naheffing opleggen indien na uw aangifte blijkt dat u te weinig belasting hebt betaald.

Het vermogen in een lijfrente is tot het moment van uitkeren volledig vrijgesteld van de vermogensrendementsheffing in box 3 van de inkomstenbelasting. Bij een lijfrente betaalt u inkomstenbelasting over de toekomstige uitkeringen en daarom is het van belang om een goed fiscaal overzicht te hebben van uw toekomstige inkomen en vermogen. Dat is immers het moment waarop u alsnog inkomstenbelasting moet betalen over de uitkeringen van uw lijfrente. De hoogte van deze uitkeringen en het overige inkomen in de toekomst (zoals salaris, sociale uitkering, AOW, pensioen e.d.) bepalen uiteindelijk de hoogte van het belastingtarief dat van toepassing zal zijn op de toekomstige uitkeringen van uw lijfrente. Naast inkomstenbelasting wordt er in beginsel ook nog inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet ingehouden op uw lijfrente.

Een fiscaal aftrekbare lijfrente levert vooralsnog alleen belastinguitstel op maar nog geen belastingbesparing. De uitkeringsfase is immers de periode waarin alsnog belasting moet worden betaald over de bruto uitkeringen van uw lijfrente en dus ook het moment om belasting te besparen. Het is wellicht mogelijk om extra belasting te besparen over uitkeringen van uw lijfrente. Deze extra belastingbesparing staat los van het gebruikelijke belastingvoordeel (tariefsvoordeel in box 1 en vrijstelling in box 3) bij een lijfrente.

Er zit een groot verschil tussen het nominale belastingtarief en de effectieve belastingdruk over uitkeringen van een lijfrente. In 2017 bedraagt het nominale belastingtarief 40,8% over uitkeringen van een lijfrente binnen de 2e en 3e belastingschijf voor belastingplichtigen die de AOW-leeftijd nog niet hebben bereikt, terwijl de effectieve belastingdruk binnen de 2e en 3e belastingschijf kan oplopen tot circa 51%. Het maximum verschil tussen het nominale belastingtarief en de effectieve belastingdruk binnen de 2e en 3e belastingschijf bedraagt circa 8% voor belastingplichtigen die de AOW-leeftijd inmiddels hebben bereikt. De effectieve belastingdruk over uitkeringen van een lijfrente wordt bepaald door de hoogte van het belastbaar inkomen uit werk en woning van de ontvanger. Het grote verschil tussen het nominale belastingtarief en de effectieve belastingdruk wordt veroorzaakt door de inkomensafhankelijke algemene heffingskorting en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet.


Lijfrente en netto vermogen

Een optimale verdeling van bruto inkomen uit een lijfrente en netto inkomen uit vermogen kan een dubbel belastingvoordeel opleveren. Dit wordt bereikt door het fiscaal "aftoppen" van het bruto inkomen uit een lijfrente (box 1) in combinatie met een aanvulling uit netto vermogen (box 3). Het dubbele belastingvoordeel ontstaat door een verlaging van de effectieve belastingdruk van het bruto inkomen uit een lijfrente in combinatie met een verlaging van de heffingsgrondslag van het netto vermogen.

Vaak worden keuzes gemaakt op basis van overzichtelijkheid zoals bijvoorbeeld eerst de lijfrente laten uitkeren over een periode van bijvoorbeeld 5, 10 of 15 jaar en daarna het eventuele spaargeld (deels) gebruiken als inkomensaanvulling. Praktische overwegingen zoals "ik wil eerst mijn lijfrente aanspreken en dan pas mijn spaargeld" kunnen tot gevolg hebben dat de ontvanger van een lijfrente onnodig een (dubbel) belastingvoordeel misloopt omdat de keuze dan niet wordt gemaakt op basis van een fiscaal optimale verdeling tussen bruto inkomen uit een lijfrente (box 1) en netto inkomen uit vermogen (box 3). Het is erg belangrijk om een zorgvuldige keuze te maken omdat de fiscale consequenties van gedane uitkeringen uit een lijfrente meestal onherroepelijk zijn. Dankzij het bezit van netto vermogen naast een lijfrente is het vaak mogelijk om de belastingheffing te verminderen middels een optimale verdeling van bruto inkomen uit een lijfrente en netto inkomen uit vermogen.


Lijfrente en inkomstenbelasting

Hier vindt u een overzicht van de belastingtarieven in box 1 van de inkomstenbelasting die van toepassing zijn op uitkeringen van een (bancaire) lijfrente of pensioen.

Tarieven inkomstenbelasting 2017

Box 1 (Belastbaar inkomen uit werk en woning)

Belastingplichtige die de AOW-leeftijd nog niet heeft bereikt:

Belastbaar inkomen vanaf Tot maximaal Tarief belastingen Tarief volksverzekeringen Totaal tarief Maximum heffing
€ 0 € 19.982 8,90 % 27,65 % 36,55 % € 7.303
€ 19.982 € 33.791 13,15 % 27,65 % 40,80 % € 12.937
€ 33.791 € 67.072 40,80 % 0,00 % 40,80 % € 26.515
€ 67.072 52,00 % 0,00 % 52,00 %

Belastingplichtige die de AOW-leeftijd heeft bereikt en geboren vanaf 1 januari 1946:

Belastbaar inkomen vanaf Tot maximaal Tarief belastingen Tarief volksverzekeringen Totaal tarief Maximum heffing
€ 0 € 19.982 8,90 % 9,75 % 18,65 % € 3.726
€ 19.982 € 33.791 13,15 % 9,75 % 22,90 % € 6.888
€ 33.791 € 67.072 40,80 % 0,00 % 40,80 % € 20.466
€ 67.072 52,00 % 0,00 % 52,00 %

De houdbaarheidsbijdrage is in 2011 ingevoerd en geldt voor AOW-gerechtigden die vanaf 1 januari 1946 zijn geboren. Normaliter worden de belastingschijven in box 1 van de inkomstenbelasting jaarlijks volledig geïndexeerd, maar de bovengrens van de 2e belastingschijf wordt voor deze groep belastingplichtigen nog maar voor 75% geïndexeerd. Het niet meer voor 100% indexeren van de 2e belastingschijf is een fiscale maatregel die tot gevolg kan hebben dat een deel van het belastbaar inkomen eerder in de 3e belastingschijf wordt belast. De belastingheffing bedraagt dan 40,80% op grond van de 3e belastingschijf in plaats van 22,90% op grond van de 2e belastingschijf (in 2017).

Belastingplichtige die de AOW-leeftijd heeft bereikt en geboren vóór 1 januari 1946:

Belastbaar inkomen vanaf Tot maximaal Tarief belastingen Tarief volksverzekeringen Totaal tarief Maximum heffing
€ 0 € 19.982 8,90 % 9,75 % 18,65 % € 3.726
€ 19.982 € 34.130 13,15 % 9,75 % 22,90 % € 6.965
€ 34.130 € 67.072 40,80 % 0,00 % 40,80 % € 20.405
€ 67.072 52,00 % 0,00 % 52,00 %

Vermogensrendementsheffing

De heffingsgrondslag in box 3 is het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen op basis van de waarde van het vermogen per 1 januari van het aangiftejaar (peildatum). Tot 2016 bedroeg de belastingheffing 1,2% per jaar op basis van een belastingtarief van 30% en een forfaitair rendement van 4% per jaar (namelijk 30% x 4% = 1,2%). In 2017 is de hoogte van het forfaitair rendement afhankelijk van de omvang van het box 3 vermogen. Het forfaitair rendement is een fictief rendement en is afhankelijk van de omvang van het belastbaar vermogen in box 3. Voor grotere vermogens geldt een hoger forfaitair rendement met een hogere belastingheffing zoals blijkt uit onderstaand overzicht met de belastingschijven in box 3:

Belastbaar vermogen vanaf Tot maximaal Belastingtarief Forfaitair rendement Belastingheffing
€ 0 € 75.000 30% 2,87% 0,86%
€ 75.001 € 975.000 30% 4,60% 1,38%
€ 975.001 30% 5,39% 1,62%

Een belastingplichtige heeft in 2017 recht op een heffingsvrij vermogen van € 25.000,= bij de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen. Fiscale partners hebben recht op een dubbel heffingsvrij vermogen van € 50.000,= en het heffingsvrij vermogen van de ene partner kan onder voorwaarden worden overgedragen aan de andere partner. Het heffingsvrij vermogen kan (afhankelijk van de persoonlijke situatie) worden verhoogd.

Lijfrente en zorgverzekeringswet

De inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet wordt op twee manieren betaald en voor 2017 gelden de volgende premiepercentages en normbedragen:

Werkgeversheffing Zorgverzekeringswet: Deze bedraagt 6,65% over het "loon uit tegenwoordige dienstbetrekking" en wordt volledig door de werkgever betaald.

Bijdrage Zorgverzekeringswet: Deze bedraagt 5,4% over het "loon uit vroegere dienstbetrekking" en wordt volledig betaald door de ontvanger via een inhouding op de netto uitkeringen.

Het reguliere loon van een werknemer wordt aangemerkt als "loon uit tegenwoordige dienstbetrekking" en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet wordt volledig door de werkgever betaald in de vorm van een werkgeversheffing ZVW. Inkomen uit een lijfrente wordt aangemerkt als "loon uit vroegere dienstbetrekking" en de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW wordt volledig door de ontvanger van de lijfrente betaald via een inhouding op de netto uitkeringen.

In 2017 bedraagt de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet maximaal € 2.899,= per jaar (namelijk 5,4% met een maximum heffingsgrondslag van € 53.701,=). Deze maximum bijdrage wordt ingehouden op de netto uitkeringen uit een lijfrente.

Over het inkomen waarover een werkgever of uitkeringsinstantie werkgeversheffing betaalt, geldt het maximum per werkgever of uitkeringsinstantie en niet het maximum per persoon. Een werknemer met twee of meer werkgevers heeft geen recht op teruggave als de totale werkgeversheffing ZVW van twee of meer werkgevers meer bedraagt dan de maximum werkgeversheffing voor één werknemer. De maximum verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW over inkomen uit een lijfrente (en ander inkomen) bedraagt in 2017 nooit meer dan bovengenoemd maximum van € 2.899,= per jaar minus het inkomen waarover een werkgever of uitkeringsinstantie werkgeversheffing ZVW heeft betaald. Indien achteraf blijkt dat er te veel inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet is ingehouden wordt het te veel betaalde door de belastingdienst terugbetaald.